Balance Blog

De ontwikkelingen in uw sector door de ogen van onze experts

Praten over risico’s... Helpt dat?

Praat men in uw organisatie ook zo graag over risico’s binnen een project? Laat staan over hoe deze beheerst kunnen worden. Daar was ik al bang voor… En als u dan over risico’s praat, met hoeveel enthousiasme gebeurt dat? Meestal is het een “moetje”. Of doet uw organisatie dat al veel beter en ziet men zelfs de toegevoegde waarde van goed risicomanagement in?

Kansen vs. risico’s

Praten over kansen binnen uw organisatie, projectteam of met uw opdrachtgever, dat lukt meestal nog wel. Maar bij het praten over risico’s gebruikt men graag de struisvogelaanpak; ‘als we het er niet over hebben, dan is het er ook vast niet’. Helaas voor u houdt de media toch wel iedereen op de hoogte. Hierdoor is een risico of falend project echt niet iets wat enkel de concurrent kan overkomen. Bent u nog steeds van mening dat wie het langst zijn risico’s verborgen houdt uiteindelijk wint? Waarom zouden we met elkaar praten over risico’s?

Niet praten…

Het niet praten over risico’s kan een project in gevaar brengen en dat is toch wel het laatste wat we willen. Denk aan te hoge kosten, onrealistische planningen of risico’s die niet te beheersen zijn. Die zijn niet altijd weg te managen! Risicomanagement tools doen wat ze moeten doen, een overzicht bijhouden van de belangrijkst risico’s en kansen. Maar er dan ook nog eens inhoudelijk over doorpraten met de gewenste diepgang en het zoeken naar causale verbanden is een volgende stap die niet altijd genomen wordt.


Ook deze verdieping kan een vertekend beeld opleveren wanneer in de discussie rondom risico’s en kansen de dominante stemmen zich laten horen. Dit betreft meestal de bestuurders en commerciële projectdirecteuren die de visie en opvattingen van de inhoudelijke experts niet op waarde weten te schatten. Hierdoor wordt een goede risicobeheersing en kansenstimulatie niet voldoende gefaciliteerd. In plaats van een risicoanalyse- en beheersing gebaseerd op feiten en ervaring voeren gevoelens of politiek-bestuurlijke voorkeuren de boventoon. En dat kost vaak tijd, geld, frustratie, imagoschade en gedoe achteraf.

In gesprek met elkaar

Wanneer u samen praat over risico’s en uiteraard ook kansen, maakt dit mensen een stuk bewuster. Daaropvolgend zullen zij alerter reageren en risico-beheersmaatregelen veel beter afstemmen met anderen. Dit maakt de risicobeheersing zowel efficiënter als effectiever en draagt sterk bij tot het uiteindelijke succes van het project en de uitvoering.
Daarnaast draagt een goede gezamenlijke inventarisatie door alle betrokkenen sterk bij aan een beter risicomanagement. Zorg er voor dat dit gedaan wordt in een taal die iedereen persoonlijk aanspreekt en doe het met betrokkenen die bereid zijn informatie open en eerlijk te delen. Het is het geheim voor succesvollere projecten en wetenschappelijk bewezen door Dr. Karel de Bakker in zijn promotie onderzoek; ‘Dialogue on Risk’.

Goed risicomanagement

Goed risicomanagement gaat over het delen van elkaars gedachten over risico’s en kansen, er vervolgens met elkaar over praten en deze vertalen naar beheersmaatregelen en het effect daarvan. Zit dat al ingebakken in de cultuur van uw organisatie en het gedrag van u en uw medewerkers? Er is uiteraard tooling beschikbaar die er specifiek op ingericht is om de discussie en het gesprek over risico’s te stimuleren. Communicatief risicomanagement is de sleutel tot succes. En echt niet alleen in projecten. Praten over risico’s helpt ...!

Door: Marco Buijnsters, Business consultant, trainer, coach en auditor projectmanagement bij Balance – Advies, Projecten, Interim & Harry Steenwijk, Business consultant communicatief risicomanagement bij RiskChallenger.

www.riskchallenger.nl 

 
 

Aannemerloos bouwen?

De Griekse dichter en zoon van een slaaf Aesopos schreef rond 600 voor christus een fabel over de kip met de gouden eieren. Die gaat ongeveer zo. Op een dag begint de lievelingskip van een arme boer gouden eieren te leggen. Eerst is de boer vol verbazing en vreugde. Maar naar verloop van tijd nemen hebzucht en ongeduld de overhand. Uiteindelijk besluit de boer de kip open te snijden op zoek naar meer gouden eieren. Natuurlijk vindt de boer ze niet. En nu zal de kip ze ook nooit meer leggen. Op kinderlijke wijze illustreert Aesopos zo hoe rijkdom, hebzucht en ongeduld kunnen aanwakkeren en daarmee uiteindelijk de bron van het oorspronkelijk succes ondermijnen.

De fabel is in de moderne tijd niet minder relevant. Hele economieën worden gedreven om zoveel mogelijk gouden eieren te produceren. De vraag daarbij is hoe je de kip, in dit geval de samenleving, het best moet verzorgen. Ook in Nederland zijn we op zoek naar manieren om gouden eieren te produceren, hoe we innovaties kunnen realiseren. Zo hebben we ambitieuze duurzaamheidsdoelstellingen geformuleerd; we willen van het gas af, klimaatneutraal worden en een circulaire economie bereiken.

"Meer dan 10.000 woningen per maand."

Als we kijken naar de gebouwde omgeving ligt daar een grote uitdaging. Meer dan 10.000 woningen verduurzamen per maand. Dat is het tempo waarin we onze woningvoorraad in Nederland zouden moeten verduurzamen, als we de doelstellingen willen behalen om in 2050 aardgasloos te zijn. Een flink gouden ei. Om in 2050 aardgasloos te zijn ligt er zowel bij opdrachtgevende partijen als opdrachtnemende partijen een grote innovatie-ambitie. Nederland moet verduurzamen, maar de mate waarin dat gebeurt lijkt nog onvoldoende. Traditioneel gezien loopt de relatie van de opdrachtgever (ontwikkelaars, woningcorporaties, overheden) met de producent (bouwers, productinnovators) via de aannemer. Vernieuwingen vanuit de producent, de gouden eieren, zullen via de aannemer hun weg moeten vinden naar de opdrachtgever. Het gaat dus om een wisselwerking tussen opdrachtgever, aannemer en producent.

"Opdrachtgever <> aannemer <> producent"

De aannemer heeft doorgaans afspraken met een aantal leveranciers. Door deze afspraken kan de aannemer snel en gemakkelijk leveren, maar zijn er ook per definitie dubbele belangen in het spel; de aannemer wil natuurlijk een zo goed mogelijk resultaat opleveren voor de opdrachtgever én gebruikmaken van de afspraken met zijn leveranciers. Ondanks alle goede bedoelingen, worden daarmee de andere leveranciers, met misschien wel duurzame en innovatieve ideeën, buiten beschouwing gelaten. En dat is zonde. Zo wordt er niet maximaal gebruik gemaakt van wat de markt te bieden heeft. Een gemiste kans, want er zijn genoeg gouden eieren!

Figuur 1 - opdrachtgevers en de gouden eieren vinden elkaar nog maar moeilijk


Natuurlijk wil de opdrachtgever het beste resultaat voor de behoefte die hij heeft. Hij zou daarvoor in theorie echter volledig overzicht moeten hebben op de markt. De huidige relatie tussen opdrachtgever en opdrachtnemer lijkt te kort te schieten. Om de opdrachtgever het beste resultaat te bieden en om de markt maximaal uit de dagen met gouden eieren te komen, wordt een andere rol gevraagd van alle partijen. We willen toe naar een systeem dat meer inevenwicht is. Een systeem waarin de kip het best verzorgd wordt. Om dat te bereiken is het van belang met een integrale blik naar een vraagstuk te kijken en de bouwketen op een andere manier te organiseren.


De uitdaging is om van het 'oude' opdrachtgevers-opdrachtnemersmodel af te stappen waarin innovatie geremd wordt, en te groeien naar een model waarin innovatie geborgd is. Met oog voor de bredere opgave; toekomstbestendigheid, ketendenken, ander gebruik van materialen, duurzaam ruimtegebruik, slimme en duurzame mobiliteit, klimaatadaptief en natuurinclusief. We zullen naar een model toe moeten waarin de kip gouden eieren wil leggen. Wellicht moeten we in een vroeger stadium met de hele keten aan tafel gaan, samen ontwerpen, 'co-creëren', meer met bouwteams werken. Of misschien moeten we wel een geheel nieuw model ontwikkelen.

Kortom, het gaat om een andere coördinerende rol in de bouwketen. Daarmee gaat ‘aannemerloos bouwen’ over het loslaten van de klassieke aannemersrol en niet zozeer over het einde van de aannemer.

Door: Jorian Bakker, projectconsultant bij Balance - Advies, Projecten, Interim.

 
 

De padafhankelijkheid van de energiesector

Schommelingen in het klimaat zijn niet vreemd, maar langzaamaan krijgt onze planeet extremere vormen te verduren. Wij verbranden veel fossiele brandstoffen en dit valt te merken aan onze ecosystemen. De gevolgen van de milieuproblemen worden steeds beter zichtbaar: meer CO2 uitstoot en stijging van de zeespiegel zijn slechts enkele voorbeelden.

De consequenties zijn bekend: over vijftig jaar is onze planeet (vrijwel) ontdaan van fossiele energiebronnen. De transitie van fossiele energie naar duurzame energie gaat traag en wordt mede veroorzaakt door de padafhankelijkheid van de energiesector, oftewel een ingeslagen weg waarvan het vooralsnog onmogelijk is om van af te wijken. Alternatieve opties zijn aanwezig, maar de daadkracht om de overstap te wagen ontbreekt. De energietransitie vormt namelijk geen urgent issue in de publieke opinie en dat is zorgelijk!

Ingekapselde bron

De milieuproblemen vallen te wijten aan onze manier van produceren en consumptiepatronen. Fossiele brandstoffen zijn als het ware ingekapseld in onze samenleving door het te beschouwen als middel om te overleven. De brandstoffen worden veelvuldig verbrandt, ongeacht onze kennis over de effecten die dit meebrengt. Industriële economieën bestaan op fossiele energiebronnen door een padafhankelijk proces, waarin alternatieve duurzame technologieën niet de kern vormen voor het succes en de winst van organisaties.

Waarom gaan de alarmbellen niet rinkelen als de situatie écht zo ernstig is gesteld? Waarom gaan wij niet over op duurzame energiebronnen? Dit heeft te maken met de verhoging van het rendement op fossiele brandstoffen. Wanneer vaker voor een bepaalde technologie wordt gekozen, zal de winstgevendheid van deze technologie stijgen en de kostprijs door toepassing in de praktijk dalen. Het overgaan op duurzame brandstoffen is duur en daarom onaantrekkelijk door de hoge kosten die dit met zich meebrengt. Bij fossiele brandstoffen geldt het tegendeel. Duurzame energie kan op dit moment niet voldoen aan de lage kostprijs van energie en de verzekering van energielevering geproduceerd door kolencentrales die 24-uur per dag kunnen draaien. De commitment aan duurzame bronnen wordt beperkt door de angst die bestaat onder de energieleveranciers om eigen investeringen te verliezen.

Vicieuze cirkel

Het bestaan van een continue stroom van fossiele brandstoffen die verbruikt worden door de energiesector en schadelijke stoffen (CO2) als output tot gevolg heeft, leidt tot een vicieuze cirkel. Een belangrijk onderdeel die bijdraagt aan deze cirkel, maar ook een breuk kan veroorzaken, is de politieke besluitvorming. Het klimaatprobleem is grensoverschrijdend en daarom is het maken van afspraken in de politiek een stuk ingewikkelder. De politiek wordt beperkt in haar bewegingsruimte voor het ontwikkelen van wet- en regelgeving die geïmplementeerd kunnen worden. Organisaties vallen niet te forceren om duurzamer te worden, omdat het verdienmodel gebaseerd is op fossiele energiebronnen. Aan de ene kant willen politici graag verduurzamen, maar aan de andere kant willen ze de economie ook geen schade toebrengen of organisaties door streng ingrijpen verliezen aan het buitenland.

De milieuproblemen vragen om het creëren van urgentie op elk niveau van de samenleving, maar bovenstaande situaties zorgen niet voor de impuls die hard nodig is. Waar de samenleving gezamenlijk zorgt voor de milieuproblemen, vormen zij uiteindelijk ook de kern in het spel tussen de politiek en het bedrijfsleven: de mens zal massaal over moeten stappen op duurzame energie. Wanneer dit gebeurt, zal het politieke draagvlak voor het accepteren van de fossiele brandstoffen afnemen of zelfs volledig verdwijnen. Willen we afwijken van het ingeslagen pad, dan moet gestopt worden met het erkennen van fossiele energie als bron om te overleven. Wij moeten geen weerstand creëren rond duurzame energie, maar juist nu de sprong in het diepe durven te nemen.

Eerder gepubliceerd in Cobouw.

Door: Mieke Metz, projectconsultant bij Balance – Advies, Projecten, Interim

 

 
 

5 Risicodossiers, 3 beheersovereenkomsten en 2 systeemtoetsen alstublieft…

In de markt is de afgelopen jaren een trend ingezet waarbij opdrachtgevers uitbesteden op basis van producten (productie- doelstellingenverplichting) in plaats van op basis van inhuur (inspanningsverplichting). Zowel Balance als TASK hebben de afgelopen periode verschillende (grote) productcontracten gegund gekregen. Daarnaast werken TASK en Balance als combinatie samen binnen het grootste productcontract op het gebied van verkeers- en omgevingsmanagent bij Rijkswaterstaat, namelijk SAA (Schiphol – Amsterdam – Almere). Het werken op productbasis is een uitdaging voor opdrachtgever en opdrachtnemer. In dit artikel nemen wij jullie graag mee in onze ervaringen met productwerken.

Uitbesteden op basis van producten

Het werken met contracten op basis van productdienstverlening is wezenlijk anders dan het werken met contracten op basis van inhuur. Bij inhuur worden werkzaamheden verricht door ingehuurde professionals (inspanningsverplichting) waarbij de opdrachtgever verantwoordelijk is voor inzet van de betreffende professionals en de daaraan gerelateerde resultaten. Hierbij worden maandelijks de ingezette uren x het overeengekomen uurtarief verantwoord en gefactureerd. Bij productdienstverlening worden producten uitgevraagd en verrekend. De opdrachtnemer is in deze verantwoordelijk voor het vervaardigen en leveren van de uitgevraagde producten conform het daaraan gerelateerde vastgestelde kwaliteitsniveau (resultaatverplichting). Hierbij bepaald de opdrachtnemer zelf welke capaciteit wordt ingezet om de betreffende producten te vervaardigen.  

Voordeel van het werken met productdienstverlening is dat het efficiëntie en innovatie stimuleert. Producten moeten worden gepland. Ingezette adviseurs worden gestimuleerd om mee te denken in het vervaardigen van de uitgevraagde producten en de daaraan gerelateerde tijdsbesteding. Hierdoor ontstaat prioritering en worden hoofd- van bijzaken onderscheiden. Daarnaast worden producten gevalideerd en geverifieerd (V&V) voor de verantwoording richting opdrachtgever. Adviseurs beoordelen hierdoor elkaars werk op een gestructureerde wijze waarbij raakvlakken inzichtelijk worden en het leervermogen wordt vergroot. Ook zorgt dit voor uniformiteit binnen de organisatie van zowel opdrachtnemer als opdrachtgever. Uitdaging hierbij is om de tijdsbesteding gerelateerd aan het V&V-proces scherp te houden, om zodoende de administratieve last tot een minimum te beperken.

Bij contracten op basis van productdienstverlening zijn twee vormen te onderscheiden: “resultaatverplichting op basis van productie” en “resultaatverplichting op basis van doelstellingen”. Bij productieverplichting spreken opdrachtgever en opdrachtnemer aantallen te leveren producten af voor een bepaalde periode. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het voeren van een x-aantal risicosessies binnen de contractperiode. Betaling van werkzaamheden vindt hierbij plaats per geleverd product. Bij een doelstellingenverplichting voeren adviseurs diverse werkzaamheden binnen een bepaalde scope uit. Producten worden gekoppeld aan wat in een periode benodigd is voor het behalen van de doelstelling(en). Het aantal producten wordt niet specifiek voorgeschreven c.q. uitgevraagd. Bij het voorbeeld van risicosessies gaat het bij doelstellingsverplichting niet om het aantal sessies. Het gaat juist om het nut van het product in relatie tot het behalen van een doelstelling (bijvoorbeeld een beheerst project). Betaling van werkzaamheden vindt hierbij plaats op basis van een afgesproken bedrag (lineair) per maand waarvoor opdrachtnemer moet aantonen bijgedragen te hebben aan het bereiken van de afgesproken doelstellingen.

Waarom doelstellingen beter aansluiten?

Beide contractvormen binnen productdienstverlening zijn verschillend. Op basis van onze ervaringen, met name bij grote projecten, met beide contractvormen (productie en doelstellingen) gaat onze voorkeur uit naar doelstellingcontracten.

Allereerst vormen doelstellingenverplichtingen een goede tussenvorm tussen inhuur en een resultaatgericht productcontract. De transitie van detachering naar productgericht werken vormt voor zowel opdrachtgever als opdrachtnemer een uitdaging. Een contract gebaseerd op doelstellingen combineert de voordelen van detachering en productgerichte contracten. Aan de ene kant wordt verantwoord op basis van producten, aan de andere kant worden alleen een aantal producten (highlights) gepland en verantwoord terwijl de overige werkzaamheden binnen de scope van het contract doorgang vinden.

Het tweede voordeel van een contract gebaseerd op doelstellingen zit in de flexibiliteit. Afhankelijk van wat nodig is voor het behalen van een contractdoelstelling (bijvoorbeeld een tevreden omgeving) kan het zijn dat een of meerdere stakeholdergesprekken benodigd waren of dat naast stakeholdergesprekken ook interne afstemming nodig was. Alleen producten, die met grote zekerheid geleverd gaan worden, worden gepland. De kwantiteit van een product maakt hierin niet uit. Teruggaand naar de stakeholdergesprekken wordt het product opgeleverd ongeacht of er 1 of 5 gesprekken plaats hebben gevonden in de betreffende periode. Contracten op basis van doelstellingen bieden hierdoor de flexibiliteit om in te spelen op ontwikkelingen en de dynamiek van projecten. Het belang van het behalen van “doelstellingen” en niet van “aantallen” staat centraal. Bij contracten op basis van productieverplichtingen ligt dit anders en worden alle werkzaamheden juist van tevoren in exacte aantallen gepland. Denk hierbij aan 2x een systeemtoets en 3x beheerovereenkomsten. Specifiek de aantallen producten en niet de projectdoelstellingen staan hier centraal. In de praktijk blijkt het aantal producten echter lastig te plannen. Al snel na de start van een contract blijken, omwille van voortschrijdend inzicht, producten niet meer nodig of is er vraag naar extra/andere producten dan wat vooraf gepland was.

Het voordeel van flexibiliteit bij doelstellingenverplichting ten opzichte van een productieverplichting wordt ook onderkend door Hans Ruijter (Programmadirecteur SAA). Hans geeft aan dat contracten op basis van doelstellingen in het voordeel zijn ten aanzien van flexibiliteit. Dit is cruciaal, zeker bij dynamische (grote) projecten zoals bij SAA het geval is.

“Je hebt natuurlijk te maken met een groot omvangrijk project, een dynamisch project. Door externe omstandigheden kan er van alles gebeuren waardoor het toch net even iets anders loopt dan vooraf gedacht. Daar moet je op kunnen anticiperen en daar leent dit contract (op basis van doelstellingen) zich veel beter voor”. (Hans de Ruijter, Programmadirecteur SAA).

Daarnaast wordt tijdens het interview door Hans aangegeven dat een contract op basis van doelstellingen minder administratieve lasten met zich meebrengen.  Dit brengt ons bij het derde voordeel van een contract op basis van doelstellingen: het proces van verantwoorden.

Bij doelstellingenverplichtingen hoeft men over het algemeen minder producten te verantwoorden. Inherent hieraan is dat V&V minder tijd inneemt dan bij productieverplichtingen. Daarnaast geeft het plannen van highlights een grotere zekerheid dat je levert wat je plant. Doordat men bij een contract op basis van productie moet verantwoorden waarom producten niet of te veel geleverd zijn, is een direct gevolg dat contract gerelateerde zaken zich inmengen in de dagelijkse werkzaamheden. Dit brengt een toename van administratieve lasten met zich mee. Hierdoor neemt het werkplezier af, omdat het afleidt van het inhoudelijke werk van de adviseurs.

Conclusie

Sinds wij met productcontracten werken is de gewenste potentie van productcontracten steeds beter zichtbaar geworden. Productcontracten werken efficiëntie, innovatie en leervermogen in de hand. Hierbij hebben contracten op basis van doelstellingen onze voorkeur. Dit combineert namelijk de voordelen van een inhuurcontract in combinatie met een contract op basis van producten. Daarnaast biedt het werken met doelstellingen een grotere flexibiliteit en een lagere administratieve last.

Wil je naar aanleiding van dit artikel meer weten over productcontracten of het werken als product, neem dat contact op met Marco Ubeda (Balance), Josselien Leenhouts (TASK) of Wiebe Gielen (TASK).

Eerder gepubliceerd in Cobouw.

 
 

Labeljagen belemmert de verduurzamingsopgave

De verduurzamingsopgave in Nederland kenmerkt zich door een opeenstapeling van doelstellingen en hiermee een wisselende focus. Zo lag de afgelopen jaren de focus bij woningcorporaties op het verbeteren van het energielabel. Label B in 2021 is hierbij het (tussen)doel. Dit geeft de corporaties, gemeenten, commerciële partijen en subsidieverstrekkers een natuurlijke focus. Andere voorbeelden zijn de verplichting van minimaal energielabel C in 2023 bij kantoorgebouwen en de vele overheidsprogramma’s die sturen op een bepaald energielabel in de particuliere sector.

Deze dwangmatige focus op het energielabel heeft helaas niet altijd de gewenste gevolgen. Sterker nog, door het labeljagen van de afgelopen jaren hebben we een nieuwe categorie woningen gecreëerd: spijt (regret) woningen. Het uiteindelijke doel, energieneutrale gebouwde omgeving in 2050, is jarenlang onvoldoende meegenomen als einddoel terwijl deze afspraken al jaren bekend zijn.

Energielabel als doel in plaats van middel

De schuld ligt bij zowel de overheid als vastgoedpartijen. De overheid stuurt op verbetering van het energielabel in haar landelijke en regionale beleid om gevoel te krijgen bij de voortgang. Hierbij wordt alleen totaal vergeten kwaliteitseisen mee te geven aan de labelverbetering, ook in de subsidievoorwaarden. Het is bijvoorbeeld mogelijk energielabel B te behalen door aansluiting op het warmtenet, terwijl de woningzelf nog slecht geïsoleerd is. Dit belemmert het lange termijn doel, namelijk energieneutraliteit.

Vastgoedpartijen zoals woningcorporaties sturen vervolgens op deze korte termijn doelen, met ongewenste gevolgen. Wanneer onvoldoende isolatiewaarde is toegevoegd aan de woning is dit later duurder om te herstellen. Er is een reden waarom de jaren 80/90 bouw met beperkte isolatie als uitdagender wordt gezien in de energietransitie dan net na-oorlogse bouw. Dan hebben we het hier nog over de partij die het meest strategisch bezig is met het verduurzamen van haar vastgoed. Deze discussie vind nauwelijks plaats bij VvE’s en commerciële vastgoedbeleggers.

Een bewuste strategie

Kenmerkend voor deze spijt woningen is dat er op het moment van onderhoud of renovatie niet de juiste hoeveelheid kwaliteit aan de woning is toegevoegd. Al in 2015 kwam dit naar voren uit een rapport van Nieman waarin geconcludeerd werd:''Bij veel projecten die zich richten op energielabel B is over het algemeen geen sprake van een bewuste strategie om een volgende stap naar energieneutraal voor te bereiden.''

Het is deze bewuste strategie waar de overheid, corporaties en andere partijen de focus moeten leggen. Deze strategie voorkomt kapitaalvernietiging en hogere maatschappelijke kosten voor de energietransitie en maakt deze benodigde kosten echt inzichtelijk. 

Duurzaamheid als kwaliteit

Om tot deze bewuste strategie te komen is een andere focus nodig. Energielabels moeten worden losgelaten  als ‘doel’ en worden gezien als ‘middel’. Centraal moet komen te staan: Energieneutraal gebouwde omgeving in 2050, zoals de landelijke doelstellingen aangeven. Met deze stip op de horizon kan per gebied gezocht worden naar de gewenste energetische kwaliteit en warmtebron.

De warmtebron speelt hier een belangrijke rol en  is voor een groot deel bepalend voor de kwaliteit die toegevoegd moet worden aan de woning. Bij het gebruik van (rest)warmte op (midden)hoge temperatuur is minder verregaande isolatie van de woning noodzakelijk dan bij all electric varianten.  Landelijke en regionale overheden moeten vervolgens in hun subsidie- en leningsmogelijkheden deze kwaliteitseisen opnemen als randvoorwaarden.

Het voordeel van het loslaten van het labeljagen en sturen om kwaliteit is dat naar verduurzaming gekeken kan worden in natuurlijke stappen. Bij een focus op het incrementeel verbeteren van de woningvoorraad geeft dit ook meer financiële ruimte en kan dit beter passen bij de huidige onderhoudsstrategie van vastgoedpartijen.

Duurzaamheid is namelijk niet: leuke projecten, maar het integreren van dit onderwerp in alle bestaande processen en acties van vastgoedpartijen. Alleen op deze manier kan de woningvoorraad in Nederland op een betaalbare, begrijpbare en slimme manier naar energieneutraal in 2050.

Door: Sven Ringelberg, business consultant duurzame energie bij Balance – Advies, Projecten, Interim. www.balance.nl

 
 

[AboutAuthor]

DEEL DEZE PAGINA