Balance Blog

De ontwikkelingen in uw sector door de ogen van onze experts

Crowdfunding en publieke infrastructuur

In 2012 is in Nederland het eerste infrastructurele project gerealiseerd door middel van crowdfunding; een voetgangersbrug bij Rotterdam CS. Je kon deelnemen vanaf 25 euro en mocht als tegenprestatie een tekst op één van de treden laten zetten. Een unieke verschijning binnen de infrastructuur en een interessante manier van projectfinanciering.

Crowdfunding & obligaties

Crowdfunding wordt steeds populairder! Naast dat je direct ziet waar je geld heen gaat, biedt het de mogelijkheid om in projecten te investeren waar jij enthousiast van wordt. In de Verenigde Staten wordt al sinds 1812 gewerkt met zogenaamde ‘muni bonds’. Dat zijn gemeentelijke verhandelbare obligaties die gebruikt kunnen worden voor specifieke projectfinanciering. De Golden Gate Bridge is in totaal voor $35 miljoen gefinancierd met ‘muni bonds’. Ook andere experimenten met crowdfunding van onder andere fietspaden en stadsparken zijn in de VS erg succesvol gebleken.  

Infrastructuur lease constructie

Investeren in infrastructuur heeft als eigenschap dat het een veilige investering is met een lange doorlooptijd. Met publieke infrastructuur is er echter niet altijd een financieel rendement omdat het gebruik ‘gratis’ is. Het ‘Design, Build, Finance & Maintenance’ (DBFM) model kan hierin uitkomst bieden.

Binnen het DBFM model ‘least’ de overheid de infrastructuur. Dit houdt in dat de overheid niet meer zelf ontwerpt, niet zelf bouwt, niet zelf voorfinanciert en niet het onderhoud in beheer neemt. In deze constructie wordt het project voorgefinancierd door de markt, om daarna een jaarlijkse fee van de overheid te ontvangen voor het gebruik. Dit voorfinancieren zou ook door middel van crowdfunding of ‘infrastructuur obligaties’ kunnen gebeuren. De burger investeert dan direct mee in (lokale) infrastructurele projecten.

Waarom nu?

Binnen de huidige digitale omgeving is het zowel technisch als administratief haalbaar om infrastructurele projecten decentraal te financieren. Ook de rente is momenteel historisch laag, waardoor burgers alternatieve investeringsmogelijkheden zoeken. Daarnaast zien we een trend van decentralisatie in diverse sectoren. Onder andere in de energiesector, waar we met warmtenetten en energiecoöperaties onze nutsbedrijven na decennia van centraliseren nu weer decentraliseren.

En de belangrijkste reden is dat de burger betrokken wil worden. Men wil meebeslissen over de toekomst. In de energiesector zien we dat als men de kans krijgt om mee te financieren aan bijvoorbeeld een windmolen, mensen betrokken raken bij het project. Door de burger financieel te laten participeren gaan we van NIMBY’s naar YIMBY’s: Yes in my backyard!

Door: Frans de Heij, Projectconsultant bij Balance – Advies, Projecten, Interim 

Eerder gepubliceerd in Cobouw magazine

 
 

Van gas los? Overwin je afkeer van elektrisch koken!

Omdat de Groningse gasvelden voor aardbevingen zorgen, gas een fossiele energiebron is die ongewenste CO₂ uitstoot geeft én afhankelijkheid van geïmporteerd gas niet altijd wenselijk, is de energietransitie binnen Nederland inmiddels gericht op het besef dat we van gas los moeten.

Het besef om van gas los te gaan, wordt gevoed doordat het kan. Het is geen technisch probleem meer, maar een kwestie van geld en van gewenning. We moeten eerst onze eigen koudwatervrees voor een ‘gas-loos-bestaan’ overwinnen. De invloed van ons gedrag wordt vaak nog flink onderschat.

Afkeer van elektrisch koken

In mijn werk als adviseur Energie & Ruimte heb ik regelmatig mogen ervaren dat bij energietransitie-vraagstukken het koken op elektriciteit een onderhuidse barrière vormt. Tijdens het opstellen van business cases die tonen hoe en onder welke condities de overgang naar een gas-loos-systeem de moeite loont, komt vaak het ‘ik-wil-niet-koken-op-elektriciteit’ argument naar voren. Nederlanders lijken een collectieve en hardnekkige voorkeur voor koken op gas te hebben en daarmee een afkeer van elektrisch koken.

Wokpan

Ook ik had last van dit ‘blijf-van-mijn-kookgas-af-gevoel’. Vier jaar geleden heb ik een nieuw huis gekocht wat is aangesloten op stadswarmte en dus geen gasaansluiting heeft. De koop is toen doorgegaan dankzij een demo-sessie bij een aardige buurvrouw. Ik mocht daar de vloerverwarming voelen, de inductieplaat uitproberen en ook de boost-functie hiervan aanzetten. Want ik wilde nog wel snel een wokpan kunnen verhitten. En ja dat werkt! Dat was namelijk mijn grootste zorg. Ik wil, net als bij het koken op gas, snel de hitte kunnen reguleren. Niet, zoals bij een elektrische kookplaat, lang wachten tot de boel een beetje warm begint te worden om vervolgens te stressen als het aanbrandt of overkookt, omdat de temperatuur pas na minuten weer naar beneden gaat.

Demo-ruimtes

Bij zo’n persoonlijke en ogenschijnlijke simpele kwestie als de kookbron van onze dagelijkse maaltijd zit naar mijn idee de kern van overtuiging in het zelf ervaren, voelen en aanraken. Daarin zou meer moeten worden voorzien. Bied demo-ruimtes aan en laat mensen met de pan in de hand ervaren dat elektrisch koken geen barrière hoeft te vormen om met z’n allen van het gas los te gaan!

Door: Els Beukers, consultant Energie en Ruimte bij Balance – Advies, Projecten, Interim

Eerder gepubliceerd op cobouw.nl

 
 

Jonge techneuten: dé elite in de energietransitie

Afgelopen donderdag 11 mei had ik het genoegen om namens het Jong Warmtenetwerk een pitch te geven op het VanGasLos festival. Mijn centrale boodschap: de energietransitie ligt in jonge handen. En laten we eerlijk blijven, vooral technische handen gaan het verschil maken.

Met een potentieel van ruim 1,9 miljoen woningen in Nederland die aangesloten kunnen worden op het warmtenet, zal de vraag naar techneuten de komende jaren alleen maar toenemen. Iedereen op het VanGasLos festival leek in overeenstemming. De urgentie is duidelijk onder adviseurs en beleidsmedewerkers die dagelijks met dit thema bezig zijn. Ik bevond mezelf in een warm bad, maar al snel werd mijn badwater ijskoud.

Verbaasd

Later op de dag werkte ik namelijk tijdens een van de sessies met een groep jongeren aan het energieakkoord 2.0, een boodschap aan het nieuwe kabinet. Na twee uur discussiëren over welke maatregelen het beste zouden zijn, gaf een van de jongeren aan: ‘’Dit gaat boven mijn pet… op onze studie wordt ons niets verteld over de rol van de warmtepomp in de energietransitie, het gaat alleen om de installatie’’. Ik was verbaasd. Aandachtig luisterde ik naar een groep van zeven studenten uit het eerste, tweede en derde jaar mbo. “Wij zijn hier zo ongeveer aanwezig met de gehele opleiding”. Niet een hele grote groep dus.

Zinloos

De discussie van de afgelopen twee uur over de hoeveelheid windmolens op zee, de locatie van warmtenetten in Nederland en de hoeveelheid te installeren warmtepompen: het was zinloos. Zonder professionals met technische kennis die daadwerkelijk aan de slag gaan met de energietransitie, ontbeert het de discussie op beleidsniveau aan feitelijke inhoud en uitvoerbaarheid.

Dit is dan ook de boodschap aan het nieuwe kabinet die mij is bijgebleven na het VanGasLos festival.

De energietransitie is ook een opleidingstransitie. De technische installatiebranche (UNETO-VNI) geeft aan dat er de komende jaren al een tekort is aan 15.000 monteurs. De oorzaak die aan dit probleem ten grondslag ligt is tweeledig.

Enerzijds zorgt de focus op duurzaamheid voor een groeiende behoefte aan technici in deze branche, anderzijds wordt er te weinig gedaan om in deze groeiende behoefte te voorzien. Opschaling om de energietransitie te versnellen lijkt hierdoor verder uit zicht te raken, waardoor de doelstellingen van het Energieakkoord in gevaar komen.

Nieuw kabinet: een tekort aan vakmensen bedreigt onze duurzame ambities. Stop met het schrijven van beleidsnotities en benut deze enorme kans om werkgelegenheid en innovatie aan te jagen! Hier kan geen politieke partij het mee oneens zijn, toch?

Door: Sven Ringelberg, projectconsultant bij Balance – Advies, Projecten, Interim

Eerder gepubliceerd op Cobouw.nl

 
 

Omgevingsmanagement als game

Projecten in de fysieke leefomgeving zijn vaak complex, mede doordat bij deze projecten verschillende stakeholders betrokken zijn die ieder andere belangen hebben. Desondanks moeten projecten wel gerealiseerd worden. Dit vraagt van de omgevingsmanager om een aanpak waarbij er oog is voor de belangen van alle stakeholders. Dit gebeurt nu vaak op basis van ervaring en gevoel, maar er wordt nog geen gebruik gemaakt van een model. De Game Theory kan hierin een aanvulling zijn.

Wat is Game Theory?

De Game Theory is een wiskundig model waarin conflict en samenwerking tussen rationeel handelende stakeholders wordt weergegeven. Game Theory is het abstraheren van de werkelijkheid tot een wiskundig model. Deze methode kan helpen om inzichtelijk te maken waar het conflict vandaan komt en wat mogelijke oplossingen zouden kunnen zijn. Binnen de fysieke leefomgeving wordt dit nog niet gebruikt. Om die reden wordt in dit artikel de Game Theory toegepast aan de hand van een denkbeeldige case waarin de aanleg van windmolenparken op zee centraal staat.

De case: actoren & situatieschets

Onze denkbeeldige case betreft de aanleg van windmolenparken in de Noordzee. Hierin analyseren we de rol van drie belangrijke stakeholders:

- De Rijksoverheid: deze stakeholder is een voorstander van windmolenparken. Voor het Rijk is de perceptie voornamelijk het behalen van de Europese richtlijnen met betrekking tot een duurzame energievoorziening. Om dit te bereiken stelt het Rijk subsidies beschikbaar. Er worden enkele grote parken aangelegd. Daarnaast komen de parken dicht bij de kust. Dit levert een besparing op van miljarden en minder horizonvervuiling omdat de windmolens gecentreerd staan op enkele plekken.

- De visserij en scheepvaart zijn niet expliciet tegen de aanleg van de windmolenparken, maar zijn wel bezorgd over de economische gevolgen. Bepaalde visgronden zullen gesloten worden en scheepvaartroutes op de Noordzee dreigen aangepast te worden.

- De kustgemeenten zijn tot slot expliciet tegen de aanleg van windmolenparken omdat dit schadelijk is voor toerisme en recreatie vanwege horizonvervuiling.

Game Theoretische analyse

Zoals omschreven zijn er drie spelers; de Rijksoverheid, de visserij & scheepvaart en de kustgemeenten. Deze spelers kunnen allen twee acties uitvoeren. Ze kunnen meewerken, ´C´ van cooperate, of tegenwerken, ´D´ van defect. Indien de Rijksoverheid ´D´ kiest gebeurt er niets en is de waarde, ‘payoff’, 0 voor alle 3 de spelers (0, 0, 0). Hieronder zie je twee spelen, eerst tussen de Rijksoverheid en de visserij & scheepsvaart. Daarna tussen de Rijksoverheid en de kustgemeenten.
 

 

Cooperate (C)

Defect (D)

Cooperate (C)

X, -A

X-Y, -A-B

Defect (D)

0, 0

0, 0

´X´ is hier waarde die de overheid geeft aan het realiseren van de windmolens. ´A´ is het nadeel dat de visserij ondervindt van de windmolens. ´B´ zijn de kosten die de visserij maakt om de windmolens aan te vechten en ´Y´ zijn de kosten die de overheid ondervindt als de visserij de windmolens aanvecht.
 

 

Cooperate (C)

Defect (D)

Cooperate (C)

X, -C

X-Z, -C-D

Defect (D)

0, 0

0, 0

Bij het spel tussen de Rijksoverheid en de kustgemeenten geldt een zelfde verdeling als bij het spel hierboven. ´X´ is de waarde voor de overheid van de windmolens. ´C´ is het nadeel voor de gemeenten, ´D´ zijn de kosten die ze maken om het plan aan te vechten. ´Z´ zijn de kosten die de overheid ondervindt als de gemeenten de windmolens aanvechten.

De overheid heeft dus 2 keuzes:

  • Wanneer ´D´ gekozen wordt eindigt het spel met payoff (0,0,0) voor iedereen.
  • Indien ´C´ gekozen wordt komen de visserij en de kustgemeenten samen in een spel. De meest linker payoff (zie tabel) is voor de Rijksoverheid, de tweede voor de visserij en de derde voor de gemeenten.
     

 

Cooperate (C)

Defect (D)

Cooperate (C)

X, -A, -C

X-Z, -A, -C-D

Defect (D)

X-Y, -A-B, -C

X-Y-Z, -A-B, -C-D

In bovenstaand spel hebben we aangenomen dat als de Rijksoverheid besluit om de windmolens door te zetten deze, ondanks mogelijke protesten, er op termijn ook zullen komen. Dit betekend dat als de overheid doorzet en B > 0 (B zijn de kosten voor het aanvechten door de visserij), dat de visserij dit liever niet aanvecht, omdat -A > -A-B. Hetzelfde gaat op voor de kustgemeenten, wanneer D > 0 dan is het beter om cooperate te spelen want -C > -C-D.

Voor de Rijksoverheid is het doorzetten van de windmolens de dominante strategie zolang X > Y + Z, waardoor de payoff voor de overheid altijd meer dan 0 is. Dat wil zeggen, zolang de voordelen van de windmolens groter zijn dan nadelen van het aanvechten door de gemeenten en visserij is het voor de overheid de beste strategie om de windmolens door te zetten. Het enige Nash Equilibrium (NE) is dan (C, C, C). Een Nash Equilibrium is een set van strategieën waar geen van de spelers van strategie wil veranderen.

Echter wanneer X < Y of X < Z is, kunnen er verschillende andere NE ontstaan. Indien de visserij en/of gemeenten ´D´ spelen is het voor de overheid beter om ook ´D´ te spelen, de windmolens vinden dan geen doorgang. De NE zijn dan (D, D, D), (D, C, D), (D, D, C) en (C, C, C). Wanneer X > Y en X > Z maar X < Y + Z is, bestaan er twee NE, (D, D, D) en (C, C, C). Samengevat in onderstaande tabel:
 

Scenario’s

Condities

Nash Equilibria

1

X > Z + Y

(C, C, C)

2

X < Y & X > Z

(C, C, C), (D, D, D), (D, D, C)

3

X > Y & X < Z

(C, C, C), (D, D, D), (D, C, D)

4

X < Y & X < Z

(C, C, C), (D, D, D), (D, D, C), (D, C, D)

5

X < Z + Y & X > Y & X > Z

(C, C, C), (D, D, D)

Afhankelijk van het scenario kunnen de stakeholders een strategie kiezen. De overheid zal proberen de NE (C, C, C) te bereiken, de andere stakeholders (D, D, D).

  • In scenario 1 is er één NE waarbij de Rijksoverheid de windmolens zal doorzetten en weinig tegenstand zal tegen komen.
  • In scenario 2 - 4 weten de visserij en de kustgemeenten dat als de overheid de windmolens doorzet het voor hen het beste is om mee te werken. Echter zien zij liever dat de windmolens niet worden doorgezet. Zij zullen de Rijksoverheid dus moeten overtuigen dat ze, één of beide, ´D´ zullen spelen. Ze zullen een ‘non-credible threat’ moeten maken. Een ‘non-credible threat’ is een dreigement die, als het er op aan komt, geen doorgang vindt bij een rationele speler. Een ‘non-credible threat’ wordt gemaakt met de hoop dat dat geloofd wordt en niet hoeft te worden uitgedragen. Indien het lukt om de overheid te overtuigen dat ze ´D´ zullen spelen zal het voor de overheid ook beter zijn om ´D´ te spelen.
  • Scenario 5 is vergelijkbaar met scenario 2, 3 en 4, behalve dat de visserij en kustgemeenten nu samen moeten werken om het project tegen te houden. Gezamenlijk zal er een ‘non-credible threat’ gemaakt moeten worden.


Conclusie

Om tot een (C, C, C) evenwicht te komen kan de overheid een aantal maatregelen nemen:

1. Niet (tijdig) informeren.
2. De overheid kan aankondigen dat het besluit hoe dan ook doorgaat en weerstand geen zin heeft.
3. Stakeholders betrekken en zoeken naar condities voor een compromis of win-win situatie.

Optie 1 en 2 maken gebruik van de sterke positie van de overheid. Dit kan tot negatieve en irrationele tegenreacties leiden. Het Rijk zal de plannen mogelijk laat aankondigen en weinig tot geen ruimte laten voor aanpassingen. De Rijksoverheid gebruikt hier haar machtspositie om de plannen door te drukken. Dit kan leiden tot negatieve en irrationele tegenreacties. Er bestaat een kans dat het project strand in juridische procedures of dat de Rijksoverheid negatief in beeld komt. De ‘non-credible threat’ kan mogelijk toch doorgang vinden als de stakeholders zich gepasseerd voelen en emotioneel reageren.

Bij optie 3 wordt gekeken naar de belangen van de stakeholders. Er wordt informatie uitgewisseld en gezocht naar een compromis of win-win situatie. De overheid neemt het initiatief en constateert dat de visserij, scheepvaart en de kustgemeenten tegen de komst van windmolenparken zijn. . Er wordt een omgevingsmanager op het project gezet die de situatie gaat analyseren en de partijen betrekt. Het uiteindelijke resultaat is dat de visserij, scheepvaart en de kustgemeenten actief betrokken worden bij de plannen van de Rijksoverheid. Door vanuit de Rijksoverheid (deels) toe te geven aan de wensen van de visserij & scheepvaart komt men deze partij tegemoet. Dit heeft tot gevolg dat deze partij meegaat met de plannen van het Rijk. Wat betreft de kustgemeenten kan de omgevingsmanager bewerkstelligen dat er geld beschikbaar komt voor onderzoek naar de gevolgen voor de toerismesector. Aan alle eisen tegemoet komen gaat niet, maar door deels tegemoet te komen aan de kustgemeenten, deze actief te betrekken en eventueel subsidie beschikbaar te stellen ter versterking van de toerismesector kan men een eventuele rechtsgang ‘afkopen’ en de schade ‘compenseren’.

Door bovenstaande situatie Game Theoretisch te benaderen komt men tot gedegen inzichten over de verhoudingen van het probleem. Dit biedt een extra framework om beslissingen te ondersteunen en kan een omgevingsmanager helpen bij zijn of haar dagelijkse werkzaamheden in de praktijk.

Door: Pieter-Corné den Braber en Frans de Heij, Projectconsultants bij Balance - Advies, Projecten, Interim. 

 
 

Hoe voorkom je verwarring in de ambitiefase van circulaire projecten?

Ik herinner mij een zzp’er die een duurzaamheidsparagraaf moest schrijven in een samenwerkingsovereenkomst voor een circulaire gebiedsontwikkeling. Na meerdere stakeholders te hebben geïnterviewd om de ambities te verkennen zei hij vertwijfeld: “alles houdt verband met elkaar en ik weet niet of de genoemde ambities realistisch zijn”. Deze gedachte kenmerkt de chaotische ambitiefase van complexe circulaire projecten.

In de ambitiefase van projecten ontaarden discussies over duurzaamheid vaak in een ingewikkelde collectieve zoektocht. Deze zoektocht behelst een iteratief proces waarbij continu op-en-neer wordt gedacht tussen twee belangrijke vragen. Wat willen partijen bereiken met betrekking tot duurzaamheid in dit project? En hoe organiseren partijen dit? De proof of the pudding is hoe de antwoorden op beide vragen zich tot elkaar verhouden: dit maakt de gekozen ambitie wel of niet realistisch. De ene vraag kan immers niet beantwoord worden zonder het antwoord op de ander. Het continu op en neer hoppen tussen beide vragen kan voor veel verwarring zorgen.

Drie niveaus
De op-en-neer beweging in het besluitvormingsproces kan gestructureerd worden door een onderscheid te maken tussen drie niveaus waarop afspraken worden gemaakt tussen de stakeholders: het ambitieniveau, het regieniveau en het organisatieniveau. Het is zeer belangrijk dat de procesleider tijdens discussies over de ambities van het circulaire project deze niveaus weet te onderscheiden.

Op het ambitieniveau bepalen stakeholders wat het hoofddoel is op het gebied van duurzaamheid binnen het project. Dit doel is vaak een abstracte omschrijving zoals het ‘waterbestendig inrichten van de nog te ontwikkelen woonwijk’.

Op het regieniveau worden harde eisen gesteld waardoor de ambitie gehaald wordt. Bijvoorbeeld, hoeveel water moet er gemiddeld worden vastgehouden op een vierkante openbare ruimte in het plangebied? Of welke EPC norm wordt er gehanteerd voor de bouw van woningen?

Tot slot wordt op het organisatieniveau aangegeven hoe stakeholders het behalen van de norm organiseren. Het gaat hierbij om de rolverdeling tussen publieke en private partijen en instrumenten die gehanteerd worden om de gestelde eisen te halen. Zo kunnen circulaire bouwmaatregelen worden afgedwongen in het bouwbesluit.

Vaak willen partijen zich pas committeren aan bepaalde ambities wanneer zij weten welke maatregelen dit behelst en welke kosten hiermee gemoed zijn. Het scheppen van orde in chaos kan helpen om sneller te komen tot een breed gedragen ambitie op het gebied van circulariteit.

Eerder gepubliceerd via Cobouw. Door: Koen Raats, projectconsultant bij Balance – Advies, Projecten, Interim 

 
 

DEEL DEZE PAGINA